De mens denkt graag dat hij het middelpunt is. Dat zijn dromen, zijn oorlogen, zijn liefdes de geschiedenis schrijven. We meten ons bestaan in jaren, tellen onze prestaties, en geloven dat wij de belangrijkste bewoners van deze planeet zijn. Maar dan sta je in het Surinaamse binnenland, of zelfs langs een gewone weg buiten Paramaribo, en zie je een Kankantrie. En je wereldbeeld kantelt.
De Kankantrie – Ceiba pentandra, ook wel zijdenkatoenboom of kapokboom – is niet zomaar een boom. Met zijn reusachtige plankwortels die als natuurlijke steunmuren omhoog rijzen uit de grond, heeft hij een bijna mythische uitstraling. Deze wortels, die soms meters hoog worden, geven de boom niet alleen stabiliteit in de ondiepe bodem van het regenwoud, maar maken hem ook tot een architectonisch wonder. Hij is er al eeuwen. Hij stond er al toen jouw overgrootouders nog niet geboren waren, toen jouw betovergrootmoeder haar potje bruine bonen roerde boven een houtvuurtje. Hij heeft keizers en koninkrijken zien komen en gaan, oorlogen, vrede, droogtes en overstromingen. Generaties mensen zijn onder zijn takken doorgelopen, hebben in zijn schaduw gepauzeerd, hebben liefgehad en zijn gestorven – en de boom bleef staan.



In Suriname wordt de Kankantrie als heilig beschouwd, een verblijfplaats van geesten zoals de Apuku. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom. Wanneer je voor zo’n reus staat, voel je je nietig. Je voelt de tijd op een andere manier; niet in seconden en minuten, maar in langzame groei, in jaarringen, in het geduld van iets dat al honderden jaren wacht.
En de Kankantrie is niet alleen. Het regenwoud herbergt meer reuzen: de Pikin Pina, de Kopie, en talloze andere hardhout bomen die het landschap tot kathedraal maken. Je zou al hun namen kunnen leren, natuurlijk. Je zou het bos kunnen catalogiseren, indelen in soorten en families, in Latijnse benamingen en lokale wetenswaardigheden. Maar op een gegeven moment zie je door de bomen het bos niet meer. En misschien is dat ook de bedoeling.
Want of je de naam nu wel of niet weet, de bomen weten wie jij bent. Zij zijn de stille getuigen, geworteld op één plek, terwijl de mensheid om hen heen raast. Wij rennen, wij bouwen, wij maken plannen voor volgend jaar en de jaren daarna. Zij staan. Zij wachten. Zij ademen langzaam en zien ons komen en gaan, generatie na generatie.
Soms, heel soms, staan we even stil. Kijken we omhoog naar die reusachtige kroon, voelen we de bast die ouder is dan elk menselijk bouwwerk. En dan beseffen we: wij zijn maar op doorreis. Zij blijven.
sutoL
Onafhankelijk columnist voor HOPSR.



