Suriname was ruim drie eeuwen kolonie van een land dat zichzelf wereldwijd verkoopt als waterwonder. Maar zodra de regentijd Paramaribo raakt, verandert de hoofdstad opnieuw in een open riool met huizen, winkels, scholen en straten onder water. Dat is geen natuurverschijnsel meer. Dat is bestuurlijk falen met natte voeten. (Foto: Ales Karijowiredjo)
Paramaribo staat weer blank. Niet een beetje water langs de trottoirrand, niet een plas waar je met een grote stap overheen komt, maar hele straten die veranderen in bruine rivieren. In het centrum, in woonwijken, op erven, bij winkels, bij scholen: water waar het niet hoort te zijn. En wie door dat water moet lopen, loopt niet alleen door regenwater. Die loopt door een mengsel van modder, afval, lekkende riolering, overlopende wc’s, dode ratten, olie, bacteriën en alles wat normaal gesproken onder de grond of in een afvoer hoort te blijven.



Daarmee is de wateroverlast niet alleen een verkeersprobleem of een ongemak voor automobilisten. Het is een gezondheidsprobleem. Dagblad De West meldde deze week dat medici en bewoners waarschuwen voor infecties, huidproblemen en een verhoogd risico op ziekten door stilstaand en vervuild water. Ondergelopen erven, slechte afwatering en stilstaand water vormen bovendien ideale omstandigheden voor muskieten, waardoor het risico op ziekten als dengue en chikungunya toeneemt. De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwt in algemene zin dat overstromingen drinkwaterbronnen kunnen vervuilen en de overdracht van water- en vectorgebonden ziekten, zoals tyfus, cholera, malaria en gele koorts, kunnen vergroten. Stilstaand water is daarbij een broedplaats voor muggen.
Maar de meest pijnlijke vraag ligt dieper: hoe kan het dat Suriname meer dan driehonderd jaar een kolonie is geweest van Nederland, het land dat zich graag de beste waterbouwer ter wereld noemt, terwijl de hoofdstad van Suriname bij zware regen nog steeds zo kwetsbaar is?
Het simpele antwoord is ongemakkelijk: koloniale waterbouw was er wel, maar niet voor de Surinaamse burger van vandaag. De Nederlanders legden kanalen, sluizen en afwatering aan, maar primair om land bruikbaar te maken voor bestuur, handel, plantages en koloniale exploitatie. Niet om een rechtvaardige, toekomstbestendige stad achter te laten voor de mensen die na de onafhankelijkheid in dat gebied zouden moeten wonen, werken en leven. Paramaribo werd ontworpen vanuit de logica van controle en productie, niet vanuit de logica van publieke veiligheid.
Er is zelfs een historische ironie. De koloniale inrichting van Paramaribo hield volgens een recente landmeetkundige analyse juist rekening met het natuurlijke landschap: hogere zandruggen werden gebruikt voor wegen en bebouwing, terwijl laagten en natuurlijke geulen dienden voor waterafvoer. Oude grachten en afwateringskanalen, zoals de Limesgracht en Drambrandersgracht, lagen in die laaggelegen zones. Maar dat systeem is in de loop der tijd dichtgeslibd — letterlijk én bestuurlijk. De stad groeide, erven werden verhard, wegen geasfalteerd, laaggelegen gebieden verkaveld en natuurlijke afvoer werd genegeerd. Regenwater dat vroeger ruimte had, wordt nu opgejaagd door beton.
Daar komt klimaatverandering bovenop. Deltares schrijft dat Groot-Paramaribo afwatert via open kanalen en gesloten riolen, met het Saramaccakanaal als belangrijk onderdeel van het systeem. Tegelijk is de stad gevoelig voor pluviale overstromingen — overstromingen door zware regenval — en worden de risico’s groter door intensere regen, zeespiegelstijging, hogere waterstanden in de Surinamerivier en de slechte staat van delen van het afwateringsnetwerk.
Met andere woorden: het regent harder, de zee duwt sterker terug, de stad is voller gebouwd en het systeem is onvoldoende onderhouden. Dan moet niemand verbaasd doen wanneer het water de straat overneemt.
Maar kolonialisme alleen verklaart niet waarom er vandaag nog steeds geen structurele oplossing is. Suriname is sinds 1975 onafhankelijk. Om de vijf jaar kiest het volk een regering. Steeds opnieuw beloven politici ontwikkeling, ordening, infrastructuur, modernisering en betere leefomstandigheden. Maar zodra het water komt, blijkt hoe leeg veel van die woorden zijn.
Want water liegt niet. Water stemt niet op partijvlaggen. Water wacht niet tot de minister klaar is met zijn persconferentie. Water zoekt het laagste punt, en in Suriname is dat te vaak precies de plek waar gewone mensen wonen.
Het probleem is dus niet dat er geen kennis bestaat. Die kennis ligt er allang. De Wereldbank concludeerde in een strategische flood risk assessment dat Paramaribo een geïntegreerd programma nodig heeft voor waterbeheer en infrastructuur. Het rapport zegt dat het niet genoeg is om alleen “het water bij mensen weg te houden”; beleid moet ook voorkomen dat mensen en bebouwing steeds opnieuw in risicogebieden terechtkomen. Aanbevolen worden onder meer betere drainage, vroegwaarschuwingssystemen, pompinstallaties, verbetering van het Saramaccakanaal, onderhoud van hoofdkanalen en strengere ruimtelijke ordening.
Er is dus geen mysterie. De oplossingen zijn niet verborgen in een geheime kluis in Den Haag of Paramaribo. Ze staan in rapporten, masterplannen en technische studies. In 2025 schreef de Wereldbank opnieuw dat Suriname bezig is met het Saramacca Canal System Rehabilitation Project, een project van 35 miljoen dollar dat de drainagecapaciteit en werking van het Saramaccakanaal moet verbeteren en het drainage-masterplan van 2001 moet actualiseren. Hetzelfde document stelt dat het overstromingsrisico in Groot-Paramaribo nu al leidt tot verwachte jaarlijkse schade en verliezen van 37 miljoen dollar, ongeveer 1 procent van het BBP, en dat dit richting 2040 kan oplopen tot 140 miljoen dollar per jaar.
Dat zijn geen kleine cijfers. Dat is geld dat verdwijnt in kapotte wegen, stilgevallen bedrijven, zieke mensen, schade aan huizen, gemiste schooldagen, files, kapotte voertuigen en een samenleving die bij elke zware bui weer een stukje vertrouwen verliest.
De vraag is dus niet: wat kan Suriname doen? De vraag is: waarom gebeurt het niet snel genoeg?
De mogelijke oplossingen liggen op drie niveaus.
Ten eerste moet waterbeheer worden behandeld als nationale veiligheid, niet als seizoensoverlast. Pompen, sluizen, trenzen, kanalen en riolen moeten niet pas aandacht krijgen wanneer Paramaribo al blank staat. Er moet permanent onderhoud komen, met openbare rapportages: welke trenzen zijn schoongemaakt, welke pompen werken, welke sluizen functioneren, welke wijken blijven kwetsbaar?
Ten tweede moet ruimtelijke ordening eindelijk serieus worden. Niet elk stuk grond kan worden volgebouwd omdat iemand een vergunning, connectie of partijkaart heeft. Laaggelegen gebieden hebben water nodig. Als je water zijn ruimte afpakt, komt het die ruimte terughalen. Meestal bij mensen die zich het minst kunnen verdedigen. Nieuwe wijken moeten verplicht waterberging, afvoer en klimaatbestendige inrichting hebben. Bestaande wijken moeten waar mogelijk worden vergroend, verhoogd of aangepast.
Ten derde moet Suriname stoppen met losse projectjes en beginnen aan een nationaal waterakkoord: regering, districten, universiteit, ingenieurs, buurtorganisaties, gezondheidsdiensten, bedrijfsleven en internationale partners aan één tafel. Niet voor een fotosessie, maar voor een meerjarenplan met geld, deadlines en politieke consequenties. De samenwerking met Nederlandse en Surinaamse kennisinstellingen bestaat al; Deltares meldde in 2024 dat Surinaamse en Nederlandse partijen binnen het Makandra-programma werken aan kennisuitwisseling en oplossingen voor een robuuster drainagesysteem. Maar kennisuitwisseling is pas waardevol als de burger uiteindelijk droge voeten krijgt.
Paramaribo heeft geen behoefte aan nog een rapport dat in een kast verdwijnt. Paramaribo heeft behoefte aan uitvoering. Aan onderhoud. Aan bestuurders die begrijpen dat watermanagement geen luxe is, maar beschaving.
Want een hoofdstad die bij elke regentijd verandert in een open riool, vertelt meer dan een verhaal over regen. Het vertelt een verhaal over koloniale erfenis, bestuurlijke nalatigheid en politieke armoede. Nederland liet geen stad achter die klaar was voor de toekomst. Surinaamse regeringen hebben die toekomst daarna ook niet afgedwongen.
En nu staat het water aan de deur. Niet als waarschuwing. Als oordeel.



